Word een
Expert in Spirometrie

Bronchusverwijdende respons

Van een duidelijke bronchusverwijdende respons wordt gesproken als de verandering in FEV1 groter is dan 12% van de voorspelde waarde. Een geïsoleerde toename in (F)VC van > 340 mL kan duiden op betere medewerking c.q. lichte bronchusverwijding. Van een bronchusverwijdende respons in PEF bij volwassenen zou sprake zijn indien de toename groter is dan 60 L/s (ref. 1). Recenter onderzoek wijst uit dat de PEF wel kan worden gebruikt om luchtwegobstructie en een bronchusverwijdende respons uit te sluiten, niet om de bronchusverwijdende respons te beoordelen bij chronisch hoestende patiënten (ref. 2).

Nog vaak wordt de verandering in FEV1, FVC of andere index uitgedrukt als percentage van de uitgangswaarde. Dat is om een aantal redenen onjuist; de belangrijkste zijn:

  1. De verandering is niet proportioneel met het uitgangsniveau. Bij patiënten met een ‘matige’ uitgangswaarde is vaak de verandering in de FEV1 iets groter dan bij een ‘goede’ uitgangswaarde, en vervolgens weer kleiner bij een slechte uitgangswaarde. Zodoende kan de respons op een kortwerkende bronchusverwijder afnemen als bijv. een behandeling met corticosteroïden effect sorteert (zie de animatie Ophalen van animatie kost even tijd).
  2. Bij kort na elkaar herhaalde metingen van de FEV1 is er bij volwassen longpatiënten spontane variabiliteit die tot 200 mL kan bedragen (ref. 3). Bij een patiënt met een uitgangswaarde van 700 mL komt dit al neer op een toevallige verandering van 29% van de uitgangswaarde, terwijl bij een uitgangswaarde van 2 liter de 200 mL spontane variabiliteit op 10% neerkomt.

Bij gezonden leidt een bronchusverwijder tot een verandering in FEV1 van maximaal 9-11% (ref. 3). De reactie op een bronchusverwijdend medicament wordt daarom als volgt ingedeeld:

Bronchusverwijdend effect Toename FEV1
Geen < 9% van de voorspelde waarde en < 200 mL
Licht tussen 9% en 12% van de voorspelde waarde en/of > 200 mL
Duidelijk > 12% van de voorspelde waarde

De FEV1 is de best bestudeerde longfunctie-index; daardoor is goed bekend hoe deze met klinische conditie en prognose samenhangt en wordt de reactie op bronchusverwijdende middelen hieraan gespiegeld. Bedacht moet worden dat met name bij een heel slecht FEV1 een betrekkelijk kleine toename gepaard kan gaan met een aanzienlijke daling in de luchtwegweerstand, en daarmee in de ademarbeid tijdens normale dagelijkse verrichtingen. Dit kan klinisch relevant zijn. Ook kunnen bronchusverwijders tot door de patiënt waargenomen verbetering leiden bij een kleienere verandering in FEV1 dan 9% van de voorspelde waarde (ref. 4).

Zie ook: Referentiewaarden voor alle leeftijden

Ref. 1 - EGKS en ERS
In de herziene versie van het rapport van 1983 (Quanjer PhH (ed.) Standardized lung function testing. Bull Eur Physiopathol Respir 1983; 19 suppl. 5: 45-51) van de Europesche Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS), gepubliceerd in 1993, zijn de voorspelde waarden van longindices onveranderd gebleven. Het rapport van 1993 werd formeel aanvaard door de European Respiratory Society (ERS).
Het volgende hoofdstuk handelt over spirometrie, voorspelde waarden en respons op bronchusverwijdende middelen:
Quanjer PhH, Tammeling GJ, Cotes JE, Pedersen OF, Peslin R, Yernault JC. Lung volumes and forced ventilatory flows. Eur Respir J 1993; 6 suppl. 16: 5-40. Erratum Eur Respir J 1995; 8: 1629.

Ref. 2 - Gebruik niet de PEF om luchtwegobstructie op te sporen
Thiadens HA, de Bock GH, van Houwelingen JC, Dekker FW, de Waal MWM, Springer MP, Postma DS. Can peak expiratory flow measurements reliably identify the presence of airway obstruction and bronchodilator response as assessed by FEV1 in primary care patients presenting with a persistent cough? Thorax 1999; 54: 1055-1060.

Ref. 3 - Literatuur over bronchusverwijding
1 Sourk RL, Nugent: Bronchodilator testing: confidence intervals derived from placebo inhalations. Am Rev Respir Dis 1983; 128: 153-157.
2 Tweeddale PM, Alexander F, McHardy GJR. Short term variability in FEV1 and bronchodilator responsiveness in patients with obstructive ventilatory defects. Thorax 1987; 42: 487-490.
3 Eliasson O, Degraff AC. The use of criteria for reversibility and obstruction to define patient groups for bronchodilator trials. Influence of clinical diagnosis, spirometric, and anthropometric variables. Am Rev Respir Dis 1985; 132: 858-864.
4 Meslier N, Racineux JL. Tests of reversibility of airflow obstruction. Eur Respir Rev 1991; 1: 34-40.
5 Quanjer PhH, Tammeling GJ, Cotes JE, Pedersen OF, Peslin R, Yernault JC. Lung volumes and forced ventilatory flows. Eur Respir J 1993; 6 suppl. 16: 5-40. Erratum Eur Respir J 1995; 8: 1629.
6 Brand PLP, Quanjer PhH, Postma DS, Kerstjens HAM, Koëter GH, Dekhuyzen PNR, Sluiter HJ, Dutch CNSLD Study Group. Interpretation of bronchodilator response in patients with obstructive airway disease. Thorax 1992; 47: 429-436.
7 Waalkens HJ, Merkus PJFM, van Essen-Zandvliet EEM, Brand PLP, Gerritsen J, Duiverman EJ, Kerrebijn KF, Knol K, Quanjer PhH. Dutch CNSLD Study Group. Assessment of bronchodilator response in children with asthma. Eur Respir J 1993; 6: 645-651.
8 Casan P, Roca J, Sanchis J: Spirometric response to a bronchodialtor. Reference values for healthy children and adolescents. Bull Europ Physiopath Resp 1983; 19: 567-569.
9 Pardos Martinez C, Fuertes Fernández-Espinar J, Nerín de la Puerta I, González Pérez-Yarza E: Cuándo se considera positivo el test de broncodilatación. Anales Españoles de Pediatria 2002; 57: 5-11.
10 Dales RE, Spitzer WO, Tousignat P, Schechter M, Suissa S: Clinical interpretation of airway response to a bronchodilator. Epidemiologic considerations. Am Rev Respir Dis 1988; 138: 317-320.

Ref. 4 - Bronchusverwijder en verbetering van symptomen
1 Eliasson O, Degraff AC. The use of criteria for reversibility and obstruction to define patient groups for bronchodilator trials. Am Rev Respir Dis 1985; 132: 858-864.
2 Guyatt GH, Townsend M, Nogradi S, Pugsley SO, Keller JL, Newhouse MT. Acute response to bronchodilator: an imperfect guide for bronchodilator therapy in chronic airflow limitation. Arch Intern Med 1988; 148: 1949-1952.
3 Redelmeier DA, Goldstein RS, Min ST, Hyland RT. Spirometry and dyspnea in patients with COPD. When small differences mean little. Chest 1996; 109: 1163-1168.
   
Top pagina | | | ©Philip H. Quanjer