Longgroei en -veroudering

Ongelijkmatige alveolaire ventilatie

Ongelijkmatige alveolaire ventilatie als gevolg van zwaartekrachtLaten we de long van een jonge volwassene beschouwen als een veer, die eigen gewicht heeft. We hangen de veer aan zijn top op. Aan de top hangt het hele gewicht van de veer. De top wordt dus gerekt; de hoeveelheid rek is afhankelijk van het gewicht en van de stijfheid van de veer. Lagere delen worden met een progressief kleiner deel van het gewicht belast, en zullen dus naar rato minder uitrekken. Vertaald naar de long betekent dit dat de hoogst gelegen longdelen (waar deze gelegen zijn hangt af van de lichaamshouding) sterker gerekt zijn, en dus een groter volume innemen, dan laag gelegen longdelen. De pleuradruk is dan lager in de hoogstgelegen longdelen dan in basale longdelen. Er is aangetoond dat dit inderdaad het geval is, en dat deze gradiënt in het longvolume en de verdeling van de pleuradruk over de long door gewichtloosheid is op te heffen.
Dit betekent dat, als het volume-druk diagram van elke alveolaire eenheid precies dezelfde is, in vivo hooggelegen longdelen een groter volume (V) hebben dan lager gelegen delen. Omdat het volume-druk diagram kromlijnig verloopt, zal voor dezelfde drukverandering tijdens de inademing de volumeverandering (ΔV) kleiner zijn in hoog- dan in laaggelegen longgebieden. Door dit effect van de zwaartekracht is de verhouding ΔV/V, een maat voor de alveolaire gasverversing, het kleinst in hooggelegen gebieden. Wat de ventilatie betreft zijn de condities voor een goede zuurstofvoorziening en uitwassing van kooldioxyde zijn dus in principe gunstiger in de laagstgelegen longgebieden. (Het hangt van de circulatie af of dit voordeel wordt benut; ik laat dit buiten beschouwing).

Conclusie

Top pagina | | | ©Philip H. Quanjer